Het DUIKmuseum in Lemmer is een uitzonderlijke verzameling duikgeschiedenis, opgebouwd door beroepsduiker René Groot. Wat begon met materiaal dat hij overhield van duiklussen, groeide uit tot een collectie van zestig aangeklede poppen en zeldzame apparatuur, waaronder een van de eerste duiksets van Jacques Cousteau.
René duikt al vijftig jaar waarvan 40 jaar een duikbedrijf. Hij begon als sportduiker, werd militairduiker bij de marine, werkte offshore en is nu vooral actief in de inshore. „Vanaf mijn zesde wilde ik al duiker worden,” zegt hij. „De film The Silent World inspireerde me enorm. Mijn moeder zei dat ik niet sterk genoeg was. Nou, dat moet je vooral zeggen. Dan ga je het juist proberen te bereiken.” Hij heeft ruim 6500 geregistreerde duiken achter zijn naam. „Dat betekent dat je bijna elke dag onder water moet,” zegt hij. De afgelopen jaren bouwde hij dat tempo af, maar duiken bleef een constante. Naast zijn duikwerk runt hij een hyperbaar en duikgeneeskundig centrum in Sneek, waar dagelijks patiënten worden behandeld in een grote decompressietank. „Daar zitten gemiddeld acht à negen patiënten in,” vertelt hij. „Mensen met wonden die niet dicht willen. Bestralingswonden, diabetische wonden. We boeken enorm goede resultaten.”
Zijn duikklussen zijn tegenwoordig kleinschaliger: auto’s die in het water zijn gereden, telefoons die overboord zijn gevallen, touwen die in schroeven zitten, sluisdeuren die niet open willen, gezonken bootjes die omhoog moeten. „Het soort klussen dat je binnen een dag kan doen.” Hij werkt met een vaste ploeg duikers die hij kan bellen wanneer er een klus is. „Duikers doen nooit moeilijk. Die hebben geen 9‑tot‑5 mentaliteit.”
Van één pop naar een museum
Het museum ontstond uit materiaal dat hij overhield van duiklussen. „Je houdt materiaal over en dat zet je op een pop,” zegt hij. „En dan spaar je dingetjes.” In 1992 stond er één pop in de hoek van zijn duikbedrijf. „Maar één pop is geen museum.” Het bleef niet bij die ene. Duikmateriaal vernieuwt en verbetert en wat niet meer gebruikt wordt, blijft over. Zo ontstond een groeiende verzameling die hij steeds professioneler ging presenteren. Veel materiaal komt uit het buitenland. „Die koperen helmen zijn in Nederland amper te krijgen. Dan ga je naar Duitsland, Amerika, Italië.” Hij noemt het een verzamelwoede, maar wel een die hij serieus aanpakt. Elk object moet kloppen bij de periode die hij wil laten zien.
Het museum is gratis, maar niet vrij toegankelijk. Bezoek gaat alleen op afspraak. „Dat klinkt misschien raar,” zegt René. „Maar het is eigenlijk alleen geschikt voor duikers. Sportduikers, beroepsduikers, archeologische duikers, militaire duikers. Dan heb je geïnteresseerd publiek. Ik heb wel eens vijftien plattelandsvrouwen gehad. Hartstikke gezellig hoor. Maar dan blijven er tien zitten, vijf lopen wat rond en twee stellen vragen die ik al beantwoord heb.”
Interesse is er volop. Duikclubs komen vooral in de winter, defensie komt meerdere keren per jaar met nieuwe duikers in opleiding. „Dan krijgen ze een rondleiding. In de ochtend slap ouwehoeren, in de middag Lemmer onveilig maken. Traditie.” Jaarlijks ontvangt hij honderden bezoekers. „Laat het 1500 per jaar zijn,” schat hij. Zijn verhalen zijn eindeloos. Over bergingen, over humor onder duikers, over vastzitten onder water, over ramen die wel of niet kapotgeslagen moesten worden. „Heb je je slaapzak bij je?” zegt hij. „Ik kan drie weken doorgaan.”
Een collectie met zeldzame stukken
Het pronkstuk van het museum is een van de allereerste op de markt gebrachte duiksets van Jacques Cousteau. „Er zijn er iets van twaalfhonderd gemaakt. Ik heb een van de allereerste.” Het bijbehorende pak, met een glimmende zilverlaag, bleek een van de eerste droogpakken die Cousteau op de markt bracht. De set kwam via een vrouw uit Zeeland bij René terecht. Zij had het eerst bij de kringloop aangeboden, waar ze te horen kreeg dat de winkel „die oude troep” niet hoefde. René viel bijna van zijn stokje toen hij dat hoorde. De set bleek museaal waardevol en werd volledig geschonken aan het museum.
Hij verkoopt niets en ruilt niets. „Als je materiaal het een museum schenkt, moet je erop kunnen vertrouwen dat het hier blijft.” Het museum draait volledig op zijn eigen financiering. „Het is een gratis museum. Dus waar moet het vandaan komen? Dat doe ik zelf.”
Onderhoud als dagtaak
Het onderhouden van de collectie is een dagtaak. Rubber vergaat, neopreen droogt uit, maskerbandjes breken. „Zon tast rubber aan. Leg een rubberen duikpak bij het raam en het valt uit elkaar.” Hij gebruikt talkpoeder, leervet en soms tyraps om alles in leven te houden. „Het is een hele toestand.” Toch doet hij het met plezier. „Als ik op een zondag denk: wat moet ik nu eens doen. Dan loop ik hier naar beneden, hier is altijd wel wat te doen.”
Toekomstplannen
Hoe de toekomst eruit ziet weet René niet. „Ik blijf wel een beetje doorrommelen,” zegt hij. „Ik kan achter nog een joekel van een pand neerzetten. Dat moet eigenlijk wel, want boven staat nog zoveel spul.” Subsidie wil hij niet. „Dan moet je elke dag open. Dan kan je geen eisen stellen. Nu heb ik alles in de hand.”

